Chaldeeërs in Noord-Mesopotamië

Inleiding

Naar aanleiding van het naamconflict tussen de Oosterse christenen worden er allerlei theorieën de wereld ingestuurd. Theorieën die gevormd worden door geschiedkundige informatie selectief te gebruiken. Dergelijke theorieën vormen de basis van eindeloze discussies en belemmeren de eenheid tussen de christelijke bevolkingsgroepen uit het Midden-Oosten.

Een van deze theorieën die we in dit artikel willen behandelen is de bewering dat Chaldeeërs, een oud Semitisch volk, in het zuiden van Mesopotamië leefden en de moderne Chaldeeuwse christenen in noord-Mesopotamië per definitie geen Chaldeeërs kunnen zijn. De christenen die in noord-Mesopotamië leven, zijn, volgens de hedendaagse ‘Assyrische nationalisten’, dan logischer wijze ‘Assyriërs’, aangezien Assyrië in noord-Mesopotamië lag.

In dit artikel laten we in het midden of de Mesopotamische christenen etnisch Chaldeeërs, Assyriërs of Arameeërs zijn. We gaan wel dieper in op het principe van een dergelijk gebruikte theorie en met welke drijfveren zo’n theorie ontstaat.

 

Geografie en migratie

Om te beginnen is het absurd om te stellen dat iemand die in land A leeft onmogelijk een band kan hebben met land B. Mensen die dit durven beweren hebben geen kennis genomen van het gegeven ‘menselijke migratie’, ook gekend als volksverplaatsing.

Indien we een dergelijke theorie moeten volgen dan kan de derde generatie Chaldeeuwse, Assyrische of Aramese christenen, die in de diaspora leven, onmogelijk een band hebben met hun vaderland.

Men zal dan natuurlijk zeggen dat dit traceerbaar is. Dat klopt volledig, maar hetzelfde verhaal geldt dan ook voor de oudere volkeren. Om dit te achterhalen moet men echter openstaan voor alle geschiedkundige informatie en niet selectief te werk gaan.

De oude Chaldeeërs vestigden zich – volgens de historische bronnen – omstreeks 1000 v.C. in het zuiden van Mesopotamië, met als bolwerk het wereldbekende Babylon. Maar zoals vele volkeren zijn ook de Chaldeeërs geëmigreerd

 

Hieronder volgen enkele losstaande argumenten die aantonen dat de desbetreffende valse theorie op los zand gebouwd is.

 

Deportatie in de 8e eeuw v.C.

Tijdens de heersperiode van de Assyrische koning Sennacherib (705 v.C. – 681 v.C.) werd er strijd gevoerd tussen enerzijds Assyriërs en anderzijds Elamieten, Chaldeeërs en Arameeërs. Bij deze veldslagen won Sennacherib beslissend en deporteerde hij 208 000 Chaldeeërs en Arameeërs naar het noorden, meer bepaald naar Nineveh. Deze geschiedkundige informatie staat in het Akkadisch vermeld op het prisma van Sennacherib (veelzijdig kleitablet), te bezichtigen in The Oriental Institute of Chicago[1]. Dit prisma is een archeologische vondst van de Britse kolonel Taylor in 1830 in de omgeving van Nineveh.

 

Neo-Babylonisch Rijk onder Chaldeeuws bewind

Het Neo-Babylonische Rijk bestond van 626 v.C. tot 539 v.C. en werd geregeerd door een Chaldeeuwse Dynastie. Deze Chaldeeuwse Dynastie met als eerste heerser Nabopolassar bracht samen met de Meden het Assyrische Rijk ten val, waarvan gebied werd ingenomen. Het Neo-Babylonische Rijk strekte zich uit van zuid-Mesopotamië tot noord-Mesopotamië (Irak en zuidoost-Turkije) en includeerde de levant (Syrië, Israël Libanon, Jordanië). De Chaldeeërs waren het laatste inheemse volk dat over Mesopotamië heerste. Vanzelfsprekend zou dat niet mogelijk zijn, moesten zij niet aanwezig zijn in heel Mesopotamië, inclusief het noorden.

 

Christenen van de Kerk van het Oosten (éta ed medenha)

De Kerk van het Oosten was een machtige Kerk, waartoe zowel de moderne Chaldeeuwse als Assyrische christenen behoren. Deze Kerk had autonomie verworven in de 5e eeuw n.C.

Op de synode van de Kerk van het Oosten in 424 n.C.  werd er beslist dat de metropoliet van Seleucia-Ctesiphon het enige hoofd mocht zijn van de Perzische Kerk (Kerk van het Oosten) en dat er dus geen kerkelijke autoriteiten boven hem mochten zijn[2]. Dadisho, de metropoliet van Seleucia-Ctesiphon toen, nam de titel ‘Catholicus’ aan en werd zo de ‘Patriarch’.

Seleucia-Ctesiphon lag in het zuiden van Mesopotamië, nabij het historische Babylon. Deze stad was een belangrijk centrum voor de christenen van de Kerk van het Oosten. Vanaf 775 n.C. werd het patriarchaat verhuisd naar Bagdad omwille van de politieke relaties met de Islamitische Kaliefs.

Dit gegeven toont aan dat er in het zuiden van Mesopotamië een aanzienlijke aanwezigheid was van de christenen van de Kerk van het Oosten. Men kan nu onmogelijk beweren dat de christenen in het zuiden en de christenen in het noorden aparte volkeren waren, want het ging om eenzelfde volk, eenzelfde Kerk en eenzelfde taal.

Laten we nu stellen dat al deze christenen Assyriërs waren (nakomelingen van de oude Assyriërs), hoe is het dan mogelijk dat ze ook in het zuiden van Mesopotamië aanwezig waren? Want indien we de desbetreffende theorie moeten volgen, leefden Assyriërs in het noorden en Chaldeeërs in het zuiden en kunnen de Assyriërs onmogelijk in het zuiden geleefd hebben, terwijl het christelijk volk waarover we het hebben ook in het zuiden aanwezig was en zelfs daar haar centrum had.

 

Migratie als gevolg van christenvervolging

Zoals we in bovenstaande alinea hebben kunnen lezen, waren de christenen van de Kerk van het Oosten al in het begin van het christendom verspreid over heel Mesopotamië.

Dat is ook vrij logisch, want volgens de overlevering werd het christendom over heel Mesopotamië geëvangeliseerd door de apostelen Mar Addai en Mar Mari, twee van de legendarische stichters van de Kerk van het Oosten. Mar Addai zou in noord-Mesopotamië geëvangeliseerd hebben en Mar Mari in het zuiden.

Christenen in Mesopotamië zijn vaak vervolgd geweest omwille van hun geloof. Ze hebben geleden onder al de niet-christelijke grootmachten en zijn vandaag de dag nog steeds vaak het doelwit van extremistische groeperingen.

Zoals overal slaagt een minderheid die vervolgd wordt op de vlucht en dat is ook het geval geweest bij de Mesopotamische christenen. Er zijn perioden geweest dat deze christenen in alle windrichtingen zijn gevlucht. Telkens ging het om hetzelfde volk, ongeacht de geografische situering.

Tijdens de heerschappij van de Islamitische kaliefs kwam het christendom in het zuiden ook meer onder druk te staan en breidde de Kerk van het Oosten zich in het noorden zeer sterk uit met bijkomende bisdommen[3]. Dat heeft zich tot en met de 20e eeuw weerspiegelt in een aanzienlijke aanwezigheid van de christenen van de Kerk van het Oosten in het noorden van Mesopotamië.

 

Conclusie

We kunnen concluderen dat het geografisch argument van de Assyrische nationalisten gebaseerd is op selectieve en oppervlakkige informatie en eerder gebruikt wordt om de Mesopotamische christenen te overtuigen van een etnische Assyrische identiteit. Men slaagt een geschiedenis van 2600 jaar over om zo rechtstreekse linken te kunnen leggen met de oude Assyriërs.

Bovenstaande argumenten tonen echter aan dat men zich niet enkel kan baseren op geografie wanneer men de wortels van een volk traceert.

Bovendien bedraagt de geografische afstand tussen het oude Babylon en Nineveh slechts een kleine 700 km. Wanneer men echter de betreffende  theorie gebruikt, dan spreekt men haast over twee aparte werelden.

En om deze theorie nog meer kracht bij te zetten, vermeldt men erbij dat Chaldeeërs van Basra afkomstig zijn, helemaal in het zuiden van Irak. Hoe dieper in het zuiden, hoe overtuigender de theorie klinkt. Gelukkig grenst Mesopotamië in het zuiden aan de Perzische Golf, want wie weet vanwaar de Chaldeeërs dan afkomstig zouden zijn volgens deze Assyrische nationalisten (lees ook het artikel Assyrisch Nationalisme).

 

[1] Luckenbill D., The Annals of Sennacherib, The University of Chicago Oriental institute publications Volume II, Chicago, 1924, 196 pagina’s.

[2] Wilmshurst, D., The Martyred Church, A History of the Church of the East, East & West Publishing Ltd, Londen, 2011, 522 pagina’s. Zie hoofdstuk I.

[3] Wilmshurst, D., The Martyred Church, A History of the Church of the East, East & West Publishing Ltd, Londen, 2011, 522 pagina’s. Zie hoofdstuk III Christenen en Moslims.